Time Of No Reply

Onlangs las ik dat de legendarische platenzaak The Collector, naast het Beursgebouw in Brussel, haar deuren gaat sluiten. Ik liep er wel eens op een verloren middag binnen, om rond te snuffelen. Nog geen jaar geleden kocht ik er nog een album, Time of no Reply van Nick Drake. Ik kende de muziek niet, maar dat weerhield me er niet van de plaat te kopen. Op de voorkant zat een man tegen een boom met in het gras een gitaar en een boek, en het viel me op dat er een grote overeenkomst bestond tussen de zanger en mezelf, ongeveer vijfentwintig jaar geleden. Dezelfde blik, dezelfde kaaklijn en hetzelfde halflange haar. De plaat viel niet tegen, maar er zat een lichte slag in, als in een fietswiel, waardoor de naald soms geen contact maakte. Wekenlang heeft het vinyl onder een stapel zware boeken gelegen om recht te trekken.

The Collector moet een begrip zijn geweest. Mensen kochten platen van 2000 tot 3000 euro. Een lid van de Red Hot Chili Peppers kocht er eens platen. Een van mijn vrienden kwam er vroeger om bundels singeltjes te kopen voor een goede prijs. Altijd als ik een bezoek bracht, waren er mensen binnen van verschillende allure, niet alleen lui van mijn leeftijd en ouder, die zwoeren bij vinyl, maar ook hippe jongeren, die vingervlug de albums inspecteerden en er af en toe een uittrokken om het aandachtig te bestuderen. Voorin de zaak vond men pop en sixties, achterin, op de vide jazz. Op de toonbank stonden twee platenspelers, die om de beurt voor mij vaak onbekende muziek afspeelden. Aan de muren hingen enkele posters, maar vooral veel albumhoezen, soms schitterend ontworpen.

Zeventien jaar geleden nam de huidige eigenaar Piet de zaak over van zijn moeder, die de winkel in 1982 opende. En nu sluit hij de boeken. Om van de resterende 25000 platen af te komen geeft hij de hele maand augustus fikse kortingen. Nooit meer neuzen in het nostalgische winkeltje, nooit meer muziek uit de boxen als ik langs het Beursgebouw loop, nooit meer plastic dozen met aanbiedingen voor de deur. Voor winkels die jarenlang redelijk tot goed hebben gedraaid is opeens geen plek meer. Ze bestaan bij de gratie van een gepassioneerde ondernemer. Zodra de eigenaar te kennen geeft met pensioen te willen gaan, zit er niemand te springen om het bedrijf over te nemen. Hoe frustrerend en tragisch moet dat zijn als ondernemer, als je jarenlang je ziel in de zaak heb gestoken?

Enkele maanden eerder las ik over boekhandel Aurora, een marxistisch-communistische boekhandel in Sint-Gillis, Brussel. Ook deze boekhandel zou over niet al te lange tijd sluiten. De eigenaar Flor Dewit, zeventig jaar, wilde met pensioen. ‘De huurprijzen in Sint Gillis slaan door,’ had hij laten optekenen in het interview. Eind juni zou, tenzij er zich een koper zou melden, de deur sluiten, en zou Marx Brussel definitief verlaten.

Ik was nooit in de boekhandel geweest, pas door het artikel werd ik me bewust van het bestaan. Twee weken voordat het doek definitief zou vallen, besloot ik een bezoek te brengen. Ik doorkruiste de halve stad, via de Marollen naar Sint-Gillis, wat vroeger een rood nest bleek, waar niet alleen Republikeinse Spanjaarden woonden, maar waar ook Grieken samenklonterden die op de vlucht waren voor het kolonelsregime en mensen uit Latijns-Amerika. Het regende het laatste stuk van de route pijpenstelen. Ik wandelde schuin omhoog door de Jean Volderslaan, vernoemd naar een voorman van de Brusselse socialisten. Op het moment dat ik de winkel aan de overkant van de weg zag, brak de zon door.

In kleine, witte letters stond Aurora, vernoemd naar de exiluitgeverij die schrijver Bertolt Brecht in Londen oprichtte, op het raam geplakt, daarboven in rood en zwart de Russische pantserkruiser Aurora. Onder het logo hing een vijftal posters. Ook hier dozen en plastic bakken met boeken in de aanbieding voor het raam. Ik keek of er volk binnen was en schoot wat plaatjes van de gevel. Ik zag zo snel niemand en besloot eerst in een buurtsupermarkt wat drinken te kopen. Na mijn dorst te hebben gelest, keerde ik vol verwachting naar de boekhandel terug.  

De winkel was kleiner dan ik had verwacht, en rommeliger. Aan de muren hingen posters in verschillende talen. Flor Dewit, een man met halflange haren en een grote, grijze baard zat achter zijn bureau. Achter hem hing een grote poster van Lenin. Hij was in gesprek met een Franstalige klant. Dat bood mij de gelegenheid in alle rust rond te kijken. De meerderheid van de publicaties was in het Frans, maar ik trof ook boeken, tijdschriften en kranten in het Nederlands, Russisch, Spaans en Duits.

Ik keek op en zag een poster van Che Guevara. Ik werd teruggeworpen in de tijd, naar het begin van het millennium.  De tijd waarin ik Talen en Culturen van Latijns-Amerika studeerde in Leiden, toen ik in mijn eentje drie weken door Cuba reisde en Fidel Castro drie uur aan had gehoord op een plein in Santa Clara, zijn welbekende antikapitalistische riedel waar geen eind aan leek te komen. De duizenden Cubaanse vlaggetjes die gedurende de speech in de lucht wapperden, zal ik nooit meer vergeten. Ook ik kreeg het velletje papier aan een houten stokje aangereikt toen ik het plein naderde, maar ik stak het in mijn zak als aandenken. Ik trof op een plank achter mij wat boeken van de Franse filosoof Louis Althusser, aan wie ik een deel van mijn scriptie voor Literatuurwetenschap had gewijd. Voor even kwam het essay over Ideologische Staatsapparaten weer terug.                

Het liefst had ik in elk boek willen bladeren, maar de eigenaar sprak mij aan. Eerst in het Frans, maar omdat ik begon te stamelen, schakelde hij vlot over naar het Vlaams. Hij vroeg of hij me van dienst kon zijn. Ik vertelde hem over het artikel dat ik gelezen had en dat ik daardoor nieuwsgierig was geworden. Blijkbaar was ik niet de enige. Hij had wat meer aanloop gehad sinds dat artikel en er waren zelfs klanten uit Nederland gekomen, iemand uit Deventer had zijn halve auto volgeladen, waaronder de complete werken van Lenin. Ik vroeg hem of hij ook boeken had over Spanje, over de Spaanse Burgeroorlog. Hij toonde me een klein plankje en drukte een boekje van Santiago Carrillo in mijn handen, de rode Zorro, zoals hij in zijn de biografie van Paul Preston wordt genoemd. De titel was Eurocommunisme en staat, in een uitgave van de Kritiese Biblioteek Van Gennep. Ik las snel de achterkant en vond nu dat ik het niet kon maken het boek weer terug te leggen.

Ik vertelde hem over mijn achtergrond, mijn interesse in Spanje en over mijn boek De gestolen kinderen. Dewit groef in zijn geheugen en vroeg of ik een boek kende van een kleine uitgeverij in Sint-Gillis, Aden genaamd. Het duurde even voor hij de titel en een van de auteurs wist te herinneren. Les enfants perdue du franquisme van Montse Armengou. Ik noteerde de titel en de auteur in mijn telefoon om het later op te kunnen zoeken.

‘Mijn grootvader heeft nog gevochten bij het Tählmanbataljon, vernoemd naar de Duitser Ernst Tählman, de leider van de Duitse Communistische Partij tijdens de Weimar Republiek, die later de dood vond in Buchenwald,’ ging hij verder. Het Tählmanbataljon  was onderdeel van de Internationale Brigades en bestond uit een man of 1500 waaronder vooral Duitsers, Oostenrijkers, Zwitsers, en Scandinaviërs. Het bataljon vocht onder andere in Madrid, om te voorkomen dat de stad werd ingenomen door de troepen van Franco.               

Ik vroeg hem of zijn grootvader levend was teruggekeerd. Dewit knikte ja met zijn hoofd en liet een stilte vallen. Ik zag een kleine Flor voor me die naar zijn grootvader luisterde die sterke verhalen vertelde over zijn strijd in Spanje.  

Hij wees me erop dat er boven, op de vide, ook nog wat Nederlandstalig werk stond. Ik liep naar de achterkant van de winkel en maakte in het geheim wat foto’s, als aandenken, als bewijs dat ik hier was geweest. Als herinnering aan een mooi initiatief. Ik was nog geen kwartier in de boekhandel en vond het nu al een groot gemis voor de stad als de tent over twee weken definitief zou sluiten.

Ik besteeg een steil trappetje. Het hout kraakte. Boven was het al akelig leeg. Veel boeken waren reeds ingepakt en naar zijn nieuwe onderkomen gebracht. Er stonden twee bustes. De ene was overduidelijk van Marx, de ander kon ik niet zo snel plaatsen, maar Bakoenin lag het meest voor de hand. Ik herinnerde me een foto uit het artikel waarin de eigenaar precies tussen hen in stond. De gelijkenis was treffend, het hadden drie broers kunnen zijn.

Een paar weken eerder appte ik het artikel naar twee vrienden. Roadtrip me dunkt, schreef de een. De ander vond het perfect getimed, hij had net zijn auto terug. Het was mijn taak naar de geplande sterfdatum te informeren: 29 juni. Dan kunnen we Marx uitzwaaien, net nu we hem nodig hebben, schreef de eerste. Ik stelde voor de zaak over te nemen. Die van de roadtrip vond dat een goed idee. Net als mijn vriendin, die me daar al zag zitten, achter dat zelfde bureautje als Flor Dewit meer dan twintig jaar had gedaan. Toen ik haar antwoordde dat ik dan mijn baard zou laten staan, vond ze het plots een minder leuk idee.

Ik probeerde de ziel van de winkel vast te leggen op beeld, en zuchtte. Het boek dat me boven het meest aansprak was er een van Iain Guest, over de vuile oorlog in Argentinië. Ik twijfelde, maar besloot het toch te kopen. Met twee titels liep ik richting de kassa om af te rekenen. De eigenaar keek voorin, en met een zelfverzekerde stem zei hij dat het vijftien euro maakte. Volgens mijn berekening was het slechts tien euro, maar ik zweeg en overhandigde hem een biljet van twintig. Vijf euro fooi voor het pensioen van een man die meer dan twintig jaar de goede zaak had gediend. Hij gaf het wisselgeld in losse euro’s.

Ik keek voor een laatste keer rond. Ik werd verdrietig van het feit dat de volgende keer dat ik door de Jean Volderslaan zou lopen een lege winkel zou treffen. Misschien zou het logo op het raam nog verraden dat hier ooit een marxistisch-communistische boekhandel zat, maar zonder de boeken in de winkel verloor die naam aan betekenis. Het zou waarschijnlijker zijn dat er zich op korte termijn een telefoonwinkel of een ijssalon zou vestigen, wat zou betekenen dat het logo voorgoed van het raam verdwenen zou zijn. Over een paar jaar zou bijna niemand meer van het bestaan weten.

‘Zijn er al gegadigden om de winkel over te nemen?’

Hij schudde weemoedig zijn hoofd. Hij had zich er al bij neergelegd. De resterende boeken zouden in dozen worden gestopt en naar zijn nieuwe onderkomen worden gebracht. Hij was er al mee begonnen.

‘Nee, helaas, ik heb wat oproepen gedaan, het artikel heeft voor wat aanloop gezorgd, maar niemand heeft mijn oproep beantwoord. Er is voor Marx blijkbaar geen plek meer in de stad waar hij enkele jaren verbleef. Hij schreef hier nota bene met zijn buurman Engels Het communistisch manifest.’

Het bleef even stil.

‘Uiteindelijk is het manifest pas 150 jaar geleden geschreven. Dat is niets in het licht van de geschiedenis van de mensheid. De slinger slaat wel weer terug.’

We schudden elkaar de hand en met een brok in mijn keel liep ik naar buiten, alsof zojuist een huisdier was overleden. Een paar seconden later begon het te plenzen. Ik schuilde tegen een gevel, nog geen dertig meer van de ingang van Aurora en bladerde in het boek van Carrillo. Het eind van een tijdsgeest. De lucht klaarde niet op, en ik wandelde terug via de Marollen.

Twee gepassioneerde ondernemers die jarenlang hun ziel en zaligheid in hun zaak hadden gestoken en nu zelf hun winkel moesten uitruimen om plaats te maken voor een nieuw verhaal. Twee ondernemers die, zo vermoedde ik, hun best had gedaan een koper te vinden, die hun dromen zouden kunnen verlengen. Maar hun oproepen werden helaas niet beantwoord.

Time of no reply.